Het was een mooie dag in Mei toen ik werd overgeplaatst naar de transportcompagnie van de Juliana van Stolberg kazerne.
Met mijn volgepakte plunjezak, helm, ransel en pionierschop moest ik me melden bij kapitein van Lonckhuizen.Het was een kleine, magere man met een dienstbrilletje, de me geringschattend op nam en na een minuut stilte waarin hij mijn papieren doornam me naar de sergeant-majoor van de Water verwees. Die was een stuk gemoedelijker en hij bracht me administratief onder bij de F-Compagnie, afgekort Fcie.
Daar was luitenant Vos . Hij zou de volgende vijftien maanden mijn leven vergallen.
Terug bij de garage kreeg ik mijn eerste voertuig, een Jeep Nekaf.
Het ding was van een ouwe stomp geweest, mijn voorganger die al afgezwaaid was, zeiden ze. Zo te zien had hij de laatste weken weinig aan onderhoud gedaan.
Achter in de garage leefde korporaal Stokman, een belangrijk iemand in het leven van een soldaat-chauffeur. Hij zat op een sleutelpositie en had de controle over de verstrekkingen van alles wat verstrekt kon worden.Hij duwde me een emmer, een bokkepoot, dat is een stok met een kwast er aan geschroefd, en een klodder groene zeep in mn handen en ik mocht de Jeep schoonmaken. Toen het ding onberispelijk was, kwam de afzwaaier, stapte er in en ging hem inleveren voor hij echt afzwaaide. Aldoende leert men.
Wordt vervolgd.
J++
maandag 2 februari 2009
Abonneren op:
Posts (Atom)
